Waterkrachtcentrales

Het gebruik van waterkracht is duizenden jaren oud. Al in het Oude Egypte en Mesopotamiƫ werd waterkracht gebruikt met behulp van waterraderen. Bij de komst van elektriciteit werd deze vaak opgewekt door een dynamo te koppelen aan een waterrad.
Dit soort waterkrachtcentrales zijn echter erg onderhoudsgevoelig, hebben een laag rendement en een beperkt vermogen.. Slecht 20-50% van de energie in het water wordt omgezet in elektriciteit.
Bij de verdere industrialisatie zijn onderhoudsarme turbines (Peltonturbine, de Francisturbine en de Kaplanturbine) ontwikkeld met een hoog rendement > 95% en een hoog vermogen.
Dit soort turbines worden gebruikt voor de grote waterkrachtcentrales in bergachtig gebied.

Naast het gedeelte dat elektriciteit opwekt zijn er bij een waterkrachtcentrale ook andere voorziening nodig om deze te kunnen laten werken:
- Toe- en doorvoer- kanalen met stuwen voor het sturen van het water,
- Een niveauregeling voor het regelen van het waterpeil,
- Een vuilvang installatie dat ervoor te zorgen dat het drijfvuil niet in de turbine of rad komt,
- De besturing van de installatie

In gebieden met beperkt verval 0,5 >< 2 meter) en geringe hoeveelheden water zoals Brabant was elektriciteitopwekking bij watermolens en watervervallen economisch niet interessant. De investerings- en onderhouds- kosten wegen niet op tegen de opbrengsten aan elektriciteit. Hierin vindt een kentering plaats. Duurder wordende fossiele brandstoffen en de maatschappelijke weerstand tegen het vervuilende effect druk ervan. Door de technologische ontwikkelingen kunnen slimmere waterkrachtcentrales worden gemaakt tegen lagere kosten. In de regio Zuidoost Brabant is ervaring opgedaan met elektriciteitopwekking bij watermolens. Bij de Volmolen is wordt sinds 2000 elektriciteit opgewekt met een dynamo die gekoppeld is aan de raderen. Bij de Hooydonkse watermolen wordt sinds 2004 elektriciteit opgewekt met een vijzel.